Gratis nieuwsbrief

E-mailadres:
Tekens overnemen:
 
Twitter
Naober Team


Zomer 2009

6. Nieje naobers

Wat vooraf ging…

Fleur (38), haar man Enno (41) en hun vier kinderen (Koen 12, Roos 10, Tim 7 en Juul 4) verhuisden onlangs van Amsterdam naar een klein dorp op het oostelijke platteland. Fleur moet erg wennen in haar nieuwe omgeving. Vaak voelt ze zich alleen, omdat Enno het merendeel van de tijd in het westen is, voor zijn werk. Gelukkig ontmoet Fleur in de loop van de tijd steeds meer mensen. Ze heeft al kennis gemaakt met haar buurvrouw Ellie, ook wel het bosvrouwtje genoemd, omdat ze altijd door de natuur struint. En met Hein Dankevoort, de buurtburgemeester, en haar buurvrouw, vrouw Pasman. Als Fleur de uitnodigingen voor het intrekkersmoal bij vrouw Pasman brengt, stuit ze op een aardige man: Florian Haerst. Hij blijkt een neef te zijn van vrouw Pasman die rare, onduidelijke verhalen vertelt over de vorige bewoners van Fleurs huis…

Fleur staat op met barstende koppijn. Shit, dat laatste glas had ze niet moeten nemen gisteravond. Maar het was weer eens als vanouds gezellig in huis. Enno was vroeg thuisgekomen, de kinderen hadden haar verrast met zelfgebakken pannenkoeken en zij had genoten van al die blije gezichten. ’s Avonds waren Enno en Fleur gezellig op de bank gekropen met een – volgens Enno – goede fles rode wijn. Eerlijk is eerlijk: hij dronk lekker weg. Dat ie nu voor wat lichamelijk ongemak zorgde, nam ze op de koop toe. Voor het eerst in al die tijd dat ze hier woonden hadden Enno en zij weer eens een goed gesprek met elkaar gehad. Dat wil zeggen: Enno vertelde honderduit over zijn werk, zoals hij dat in Amsterdam iedere avond deed; zij luisterde. Het was volgens Enno bikkelen op het moment. De crisis trof ook zijn branche. Enno, advocaat en gespecialiseerd in scheidingen, had sterk het idee dat de recessie een deel van de mensen meer dan ooit bij elkaar hield. Zijn visie luidde: vrouwen durven op het moment domweg niet te vertrekken. De meesten kunnen niet rondkomen van hun parttime baantje en veel alimentatie zit er ook niet meer in als manlief ineens niets meer verdient, omdat hij zijn baan door reorganisatie is verloren. Dan is het dus: effe doorbijten, elkaar gedogen en wachten op betere tijden. Enno had al heel wat vrouwen teleurgesteld zijn kantoor zien verlaten. Naïef, gebroken en moedeloos.

Ineens waren zijn ogen gaan twinkelen. Of Fleur al wist dat Chantal en Maurice uit elkaar gingen? Wat? Chantal! Háár Chantal? Fleur was in shock. Chantal was één van de vriendinnen uit haar Amsterdamse clubje. Strak figuur, blonde haren, hippe kleren. Zij had begin deze week huilend bij Enno op de stoep gestaan. ‘Ik ben maar iets met haar gaan drinken’, zei Enno. ‘Ze was helemaal van de kaart.’ Fleur begreep er niets van. Chantal en Maurice? In scheiding? Die twee waren al sinds mensenheugenis bij elkaar. Waar Chantal was, was Maurice en omgekeerd. Samen hadden ze twee kleine meisjes, zes en drie jaar oud. Maurice had een goedlopend assurantiekantoor en droeg Chantal op handen. Wat was er in vredesnaam gebeurd dat Chantal wilde scheiden? En waarom had ze haar niet even gebeld? Of gesms’t? Vroeger zou zij beslist één van de eersten zijn geweest die dit nieuws te horen kreeg. Met een doos vol tissues en een fles Prosecco zouden ze samen het verdriet hebben weggedronken. Even had Fleur een steek in haar onderbuik gevoeld. Haar vriendinnen in de stad begonnen haar te vergeten. Uit het oog, uit het hart. Dat ze elkaar niet meer zoveel zouden zien als eerst begreep Fleur wel, maar ze was ervan overtuigd dat ze een sterke band hadden. Ze had in elk geval nooit verwacht dat Chantal eerder naar Enno, ‘de advocaat’, zou stappen dan naar haar vriendin. Het onbehaaglijke gevoel was verdwenen, toen Enno haar op het hart had gedrukt dat Chantal écht even de weg kwijt was. Hoe noemde hij het ook alweer? O ja, volkomen labiel. Hoe het precies zat, wist Enno nog niet. Hij zou haar morgen spreken. Fleur had medelijden. Ze zou Chantal vandaag nog bellen. Misschien kon ze in het weekend naar haar toe.

Op het schoolplein loopt Fleur Hein Dankevoort, de buurtburgemeester, bijna omver. Hij ziet er met zijn stofjas en pet nog maller uit dan anders. ‘Sorry’, mompelt Fleur en wil doorlopen. Dankevoort houdt haar tegen. ‘Haastige spoed, is zelden goed, vrouwtje.’ Dan begint hij Fleur te vertellen dat hij de haast heeft afgezworen. Dat jachtige bestaan is maar slecht voor je bloeddruk. Niet dat ie niks meer doet. Nee, sinds zijn pensionering – nu vijf jaar geleden – zet hij zich op alle mogelijke manieren in voor het dorp. ‘Sociale betrokkenheid noemen ze dat hier. Ach, dat kennen jullie in het westen natuurlijk niet. Daar is het ieder voor zich. We proberen het hier mét elkaar leefbaar en gezellig te houden. Als je eens tijd over hebt? Ik stort me vandaag op de school. Die kan wel een likje verf gebruiken, vind je niet? Als we moeten wachten tot de huismoeders op de ladders klimmen, staan we hier met Kerstmis nog.’ Fleur haalt ongeïnteresseerd haar schouders op. Ze heeft geen zin om met Dankevoort te praten. Huismoeder noemt hij haar. Pff, wat een eikel. Maar Hein lacht bulderend om zijn eigen opmerking.

Zodra Hein even de andere kant opkijkt, wipt Fleur naar binnen, waar Juul haar jas al heeft uitgetrokken en de klas inloopt. ‘Hé, waar bleef je gistermiddag?’, hoort ze ineens een bedeesde stem achter zich. Het is de moeder van Anne. ‘Ik heb Juul maar naar huis gebracht, anders kreeg ik het allemaal niet voor elkaar. We hebben op de boerderij een heel avondritueel. Eten, koeien melken, kinderen naar bed brengen en daarna door naar mijn zangclubje.’ Fleur knikt begrijpend. Ze voelt zich meteen schuldig. Ze had gistermiddag te lang bij vrouw Pasman gezeten, terwijl ze Juul moest ophalen bij een vriendinnetje. Toen zij thuis kwam, was Juul al gebracht. ‘Sorry’, zegt ze. ‘Ik moest nog wat boodschappen halen. Voortaan zorg ik dat ik op tijd ben. Als Anne zin heeft, mag ze vanmiddag wel komen spelen. Dan breng ik haar thuis, hoef jij er niet uit.’ ‘Hmm’, snuift Annes moeder, ‘ze heeft net afgesproken met Sarah.’ In de klas zit Juul braaf op haar stoel te wachten. Fleur glipt nog even naar binnen om haar jongste een kus te geven. Juul grijpt haar moeder stevig om de hals en fluistert: ‘Anne zegt dat haar mamma jou onwoordelijk vindt. Stom hè? Ik heb tegen Anne gezegd dat jij veel meer woorden kent dan haar moeder.’ Even is Fleur van haar à propos, maar dan moet ze lachen. ‘Annes moeder vindt me niet onwoordelijk, maar onverantwoordelijk. Dat is iets heel anders, Juul.’ ‘Wat dan?’ ‘Dat vertel ik je straks bij de boterham, oké?’

Buiten toetst Fleur het mobiele nummer van Chantal in. Geen gehoor. Ze probeert het thuis nog een keer. De voice mail. Ze laat een berichtje achter en ziet dan Florian, de neef van vrouw Pasman, de oprijlaan opkomen, pakje in zijn hand. Snel werpt Fleur een blik in de spiegel, gooit het haar wat naar achteren en loopt naar de voordeur. ‘Hé, hoe gaat het?’, zegt ze enthousiast. En dan, alsof het haar écht iets kan schelen: ‘Hoe is het met je tante vandaag?’ ‘Niet best’, zucht Florian. ‘Ik had gehoopt dat ze zich wat beter zou voelen, maar het herstel gaat heel langzaam. Zeg, waarom ik hier ben, er is een pakje bij ons bezorgd voor dit adres.’ ‘O’, zegt Fleur, ‘Ik verwacht eigenlijk niks.’ Ze graaft diep in haar geheugen. Nee, ze heeft de afgelopen weken geen internetbestellingen gedaan. Misschien is het voor Enno. Fleur steekt haar handen uit om het pakje in ontvangst te nemen. ‘Op het adresetiket staat dat het voor de heer van Zanten is. Je man?’ vraagt Florian. ‘Nee.’ In het voorhoofd van Florian verschijnt een rimpel. ‘Wat raar. Het adres klopt wel.’ Fleur zucht. ’Misschien is het een pakje voor de vorige bewoners? Ik geloof niet dat er op dit moment een Van Zanten in de buurt woont. Ik ben hem tenminste niet tegengekomen, toen ik gisteren de uitnodigingen voor ons intrekkersmoal rondbracht.’ Florian denkt even na en zegt dan resoluut: ‘Ik neem het wel weer mee. Dan vraag ik tante of de naam haar iets zegt. Ik heb eigenlijk geen idee of ze contact had met de vorige bewoners van jullie huis. Ach, en anders gaat het morgen gewoon weer retour met de postbode.’ Fleur wil haar mond open doen en zeggen dat vrouw Pasman niks weet van de vorige bewoners. Ja, dat het gespuis is. En dat ze bijna zeker weet dat ze ergens in een gevangenis zitten. Ze wil Florian zeggen dat vrouw Pasman haar gisteren de stuipen op het lijf heeft gejaagd, toen ze zei dat het hier af en toe flink kan spoken. Dan kijkt ze naar het pakje en houdt wijselijk haar mond. Ze knikt en mompelt: ‘Prima.’ Florian treuzelt nog wat voor haar deur. Fleur aarzelt of ze hem zal uitnodigen voor een bakje koffie. Dan hoort ze het muziekje van haar mobiele telefoon. ‘Sorry’, zegt ze verontschuldigend, ‘ik word gebeld. Tot ziens.’ Ze sluit de deur. Snel rent ze naar het aanrecht.

Op de display ziet ze dat het Chantal is. ‘Hé, meissie’, roept ze. Net iets te hard en te enthousiast. ‘Hoi’, klinkt het somber aan de andere kant. Daarna is het even stil. ‘Hoe gaat het Chantal?’, vraagt ze voorzichtig. Door de telefoon hoort ze hoe Chantal een paar keer haar neus ophaalt en vervolgens onbedaarlijk begint te huilen. ‘Och, meisje toch! Wat is er aan de hand? Zal ik in de auto stappen en naar je toe rijden’, probeert Fleur. Dat kan natuurlijk niet. De kinderen komen straks uit school en ze heeft nog geen geschikte oppas gevonden. Chantal lijkt wat te kalmeren. ‘Fleur’, zegt ze, ‘Maurice heeft me eruit gezet. Kan ik een tijdje bij jou logeren?’
(Wordt vervolgd)



Tekst: Margriet van Buren Illustratie: Elly Overberg