Gratis nieuwsbrief

E-mailadres:
Tekens overnemen:
 
Twitter
Naober Team


Voorjaar 2009

4. Nieje naobers

Het intrekkersmaol….

Fleur (38), haar man Enno (41) en hun vier kinderen (Koen 12, Roos 10, Tim 7 en Juul 4) verhuisden onlangs van Amsterdam naar een klein dorp op het platteland. Fleur moet erg wennen in haar nieuwe omgeving, hoewel ze steeds meer nieuwe mensen ontmoet. Ze heeft al kennis gemaakt met haar buurvrouw Ellie, ook wel het ‘bosvrouwtje’ genoemd omdat ze altijd door de natuur struint. En met Hein Dankevoort die álles van iedereen in het dorp lijkt te weten en als een soort van buurtburgemeester zijn normen en waarden aan anderen wil opleggen. Net als Hein Fleur een standje geeft vanwege haar verkeerd geparkeerde auto, schiet Ellie haar te hulp. In een opwelling vraagt Fleur aan haar buurvrouw wat ze van het idee vindt een intrekkersmaol te organiseren.

Een dag later had Fleur al weer spijt van haar spontane toezegging aan Ellie om ‘buurt te maken’. Waarom had ze niet even wat langer nagedacht? In gedachten de voors en tegens tegen elkaar weggestreept? Waarom had ze niet een voorbehoud gemaakt en gezegd dat ze het eerst met Enno wilde overleggen? Waarom wilde ze toch altijd meteen iets terugdoen, als iemand een beetje aardig tegen haar deed? Dééd ze werkelijk iets terug? Ze vroeg het zich af. Misschien stelde Ellie haar poging om te integreren helemaal niet op prijs. Haar buurvrouw was zelf een zonderling. Die zat vast niet te wachten op een buurtfeest. Een ‘gezellige’ middag met mensen die haar achter haar rug om ‘bosvrouwtje’ noemen.

Ellie had weliswaar meteen aangeboden te helpen, er was ook iets van aarzeling in haar houding geweest. Alsof ze tegen de ontmoeting met haar buurtgenoten opzag. Fleur was er verder niet op ingegaan. Ze had haar vriendelijk, maar beslist bedankt. Ellie hoorde bij de buurt en als er een intrekkersmaol kwam, was zij een gast en niet het hulpje van de gastvrouw. Dat had ze gezegd. Ellie vond het kennelijk allang goed. Bij het afscheid had ze Fleur er nog even fijntjes aan herinnerd hoe ze haar gasten het best kon uitnodigen. Volgens oud gebruik moest ze samen met Enno de buurt in om ze allemaal, stuk voor stuk, persoonlijk uit te nodigen.

Enno moest er ’s avonds smakelijk om lachen. ‘Hebben die boeren hier geen internet? Hyven ze niet met elkaar?’, klonk het schamper. ‘Die koeienstallen van tegenwoordig zien er anders helemaal high tech uit. Alles is tot in de puntjes geautomatiseerd. Dan zou je de buurt toch ook gewoon per mail moeten kunnen uitnodigen? Een beetje uit de tijd om al die deuren langs te gaan. Zie ik echt niet zitten. Bovendien, wanneer wil je dat doen? Ik ben druk en als ik thuis ben doodmoe. Ik heb er geen zin in.’

Fleur kreeg een onprettig gevoel. Ze had de neiging de buurt in bescherming te nemen. Contact maken en onderhouden via de digitale snelweg is toch heel wat anders dan elkaar recht in de ogen kijken en de hand schudden. Ze was te moe om iets te zeggen en had hem maar laten kletsen. Toch zat ze ermee in haar maag. Wie kon uiteindelijk de buurt intrekken? Zij. Wie moest het feest organiseren? Zij. Enno had het de laatste weken gepresteerd om niet één avond voor negenen thuis te zijn. En ’s ochtends vertrok hij weer voor dag en dauw. De kinderen zag hij alleen in het weekend. Koen had al grappend tegen hem gezegd: ‘O, dus jij bent die man die ’s zondags het vlees snijdt?!’ De opmerking van haar oudste sneed haar door de ziel. Enno had er alleen maar om gelachen. Met een handige beweging nam hij de beginnende puber in de houdgreep en quasinonchalant zei hij: ‘Ja jongen, zo is het leven. Je vader verdient het geld en jij speelt hele dagen Nintendo Wii games op de tv.’

’s Avonds wilde Fleur erover beginnen. Ze maakte zich zorgen. De laatste tijd deden ze zo weinig als gezin. Koen had wel een beetje gelijk. Met z’n allen aan tafel eten kwam nog maar sporadisch voor. Ze miste zijn aanwezigheid in huis. De kinderen waren ook veranderd. Onverschilliger waren ze, brutaler soms. Lag dat aan de nieuwe vriendjes die zij nog niet zo goed kende? Koen, Roos en zelfs Tim konden uren ergens anders spelen. Ze leidden een leven waar zij niet altijd meer de controle over had. In Amsterdam was ze altijd bezig geweest met halen en brengen. Wist ze precies waar haar kinderen uithingen. Hier leek een breng- en haaldienst totaal overbodig. Op Juul na hadden haar kinderen allemaal vriendjes direct in de buurt, waar ze gewoon naar toe konden lopen of fietsen. Juul ging om met een meisje dat op een boerderij, een eindje verderop, woonde. Ze wilde altijd dáár spelen, vanwege de dieren. Even brengen en halen met de fiets, een paar minuten. De boerin had ze één keer kort gesproken. Vriendelijk mens, maar wel druk. Meestal was ze achter, even zwaaien en dat was het. Fleur vond het prima zo.

Zonder kinderen was het stil in huis en dan ging ze piekeren. Was ze wel gelukkig hier? Nee. Ze voelde zich te vaak alleen. Ze moest er met Enno over praten. Al bij de eerste zinnen die ze snikkend had uitgesproken, had hij haar in zijn armen genomen. ‘We moeten allemaal wennen aan de nieuwe situatie, schatje. Geef het even de tijd. Ik ben nu druk, maar als alles loopt zoals het lopen moet, is dat over een tijdje voorbij. Dan ben ik vaker thuis en help ik je. Tot die tijd moet je er wat van maken, Fleur. Trek eropuit. Maak vriendinnen. Begin met een nieuwe hobby. Misschien moet je nu eindelijk eens die cursus digitale fotografie volgen. Dat wilde je toch zo graag? Als je ergens mooie plaatjes kunt schieten, is het hier wel. Toch?’ Ze had zich weer door hem laten inpalmen. Alsof een cursus digitale fotografie op kan tegen een leuke man en vader in huis.

Wat onwennig gaat Fleur de volgende dag toch maar op pad om de buren uit te nodigen. Ellie kent ze ondertussen, met de boerin heeft ze gesproken, anderen heeft ze gezien en zelfs toegezwaaid, maar wie hier wonen? Ze heeft geen idee. Af en toe heeft ze een oude Saab weg zien rijden. Op een afstand kon ze echter niet zien wie er achter het stuur zat. Deze boerderij ligt verscholen tussen hoge heggen en dikke bomen. Misschien woont er wel een oud echtpaar dat weinig buiten komt. Ze twijfelt even. Achterom lopen, zoals bij de boerin, of toch maar naar de voordeur? Het wordt het laatste. Voordat Fleur een zwieper aan de bel geeft, kijkt ze nog even naar de uitnodigingen in haar hand. Een foto van hun huis met daaronder de tekst: Hallo Naobers, Volgende week zondag, tussen 15.00 en 18.00 uur, houden wij open huis. U bent van harte welkom!

Als het aan Enno had gelegen waren de uitnodigingen gewoon als post de deur uit gegaan, Fleur vond dat ze dat niet kon maken. De buurt kon je maar beter te vriend houden. Dat had ze wel van Ellie begrepen. Wie weet had ze hen nog eens nodig. Akelig stil is het hier. Gestommel binnen. Stemmen. Er wonen dus meerdere mensen. De deur gaat open en ineens kijkt ze in een paar vriendelijke mannenogen. ‘Ja?’ zegt hij, terwijl hij nonchalant zijn handen door zijn zwarte krullen haalt. ‘Euhh, hallo, euhh’, stottert Fleur. Ze voelt een lichte blos opkomen. Ze krijgt het ineens een beetje warm. ‘Ja, ziet u’, stamelt ze verder, ‘ik ben de nieuwe buurvrouw, Fleur Smit. En euhh, volgende week zondag houden mijn man en ik open huis voor de buurt. We zouden het leuk vinden u ook te mogen begroeten.’ De man neemt Fleur met een geamuseerd lachje op. Dan doet hij een stap naar achteren. In zijn borstzak ziet Fleur een brilletje met een duur Armani-montuur op en neer dansen. Meneer heeft smaak. Hij heeft duidelijk meer van de wereld gezien dan dit dorp.

‘Maar komt u toch binnen.’ Voorzichtig stapt Fleur over de drempel van het oude boerderijtje. Nieuwsgierig, een tikkeltje teleurgesteld, kijkt ze om zich heen. Overal staan oude, kale meubels. Bovendien ruikt het muf in dit huis. De man die nu vlak achter haar loopt ziet er goed uit, maar hij zou wel eens wat vaker de boel tegen elkaar mogen openzetten. En hij moet iets doen aan dat interieur. ‘Wilt u iets drinken?’, vraagt de buurman vriendelijk. ‘Nou, ik kom eigenlijk alleen maar de uitnodiging afgeven. Ik kan niet lang blijven. De kinderen komen zo uit school, dan wil ik thuis zijn, begrijpt u?’ De man knikt. Hij gebaart naar de slaapkamer, waarvan de deur wagenwijd open staat. Fleur kijkt hem niet begrijpend aan. Wat moet zij met hem in de slaapkamer? Oké, ze is onder de indruk van zijn verschijning, maar om nu meteen…Wat denkt hij wel? De situatie verwart haar, brengt haar in verlegenheid. Nét als ze haar mond open wil doen, hoort ze een krakerige stem vanuit de slaapkamer. ‘Wie is daar? Laat maar doorlopen hoor.’ Beschaamd slaat Fleur haar ogen neer. Maar goed dat niet iedereen gedachten kan lezen. Wat een blunder! De man voor haar lijkt het niet te merken. Hij steekt zijn hand naar haar uit. ‘Ik ben Florian van Haerst. Mevrouw Pasman is mijn tante. Ze ligt al meer dan een maand op bed met een behoorlijke griep. Ze is aan haar tweede antibioticakuur begonnen. De tachtig gepasseerd. Tsja, dan duurt het herstel soms wat langer. Het gaat wel de goede kant op. Volgende week zondag is ze vast wel opgeknapt.’
(Wordt vervolgd)



Tekst: Margriet van Buren Illustratie: Elly Overberg