Winter 2008
3. Nieje naobers
Wat vooraf ging….
Fleur (38), haar man Enno (41) en hun vier kinderen (Koen 12, Roos 10, Tim 7 en Juul 4) zijn onlangs van Amsterdam naar een klein dorp op het platteland verhuisd. Fleur moet erg wennen in haar nieuwe omgeving. Op de eerste schooldag denkt ze even snel de kinderen af te leveren op de kleine dorpsschool. Haar grote, opzichtige Landrover heeft ze half op het trottoir geparkeerd, twee van haar kinderen staan al met één been op het schoolplein, als haar jongste dochter Juul weigert de auto te verlaten en ineens hysterisch door de doodstille straat gilt: ‘Ik wil niet naar die stomme boerenpummelschool!’
at begrijp ik best, hoort Fleur zichzelf kalm en zachtjes zeggen. ‘En ik begrijp ook dat je je vriendinnetjes in Amsterdam mist en dat je misschien liever bij hen was gebleven, maar je zult zien dat hier weer andere meisjes, nieuwe vriendinnen, zijn die het leven leuk maken.’ Ongelooflijk dat ze deze zinnen er zonder hakkelen uit krijgt. Ze zit haar eigen dochter gewoon keihard voor te liegen. Sprookjes te vertellen. Tenminste zo voelt het. Zélf gelooft ze maar de helft van het verhaal, het gedeelte van missen en terugwillen. In dat happy end heeft ze absoluut geen vertrouwen. Hoe kan een stadsmens als zij nu vriendin worden met iemand van hier? Neem nou haar buurvrouw Ellie. Gisteravond stond ze ineens voor haar deur. Ze wilde niet onvriendelijk zijn en had haar binnengelaten. Dat had Ellie blijkbaar wel gewaardeerd, want toen ze ruim twee uur later vertrok, was Fleur op de hoogte van bijna alle traditionele gebruiken in de buurt én Ellie’s levensverhaal.
Haar buurvrouw bleek niet echt voor het geluk geboren. Twee jaar geleden had ze haar man verloren. Plotseling. 51 jaar. Een hartstilstand. Hij liet haar alleen achter. Kinderen waren er nooit gekomen. Jammer, Ellie had ze graag gewild. Had het zelfs prachtig gevonden. Moeder worden, dat was al van jongs af aan het ultieme doel in haar leven. Prachtig leek haar dat. Iets om handen hebben waar je onvoorwaardelijk van houdt. Jezelf terugzien in een zo’n kleintje, jouw eigen vlees en bloed. Dat het bij Ellie en Kees niet was gelukt, was voor Ellie lange tijd een stil verdriet. Ze sprak er zelden met anderen over. Er was toch iets van schaamte. Alle jonge gezinnen om hen heen kregen kinderen. Waarom zij wel en wij niet? Dat had ze vaak gedacht. Op verjaardagen werden flauwe grappen gemaakt. De pastoor moest maar eens langs komen, net als vroeger gebeurde. Ellie onderging de verbale vernedering lijdzaam. Kees, haar man, leek het makkelijker op te nemen. Hij stortte zich op zijn bedrijf en toonde geen enkele emotie. Elke keer als zij erover begon, haalde hij zijn schouders op en wees hij met zijn vinger naar boven. ‘Het is ons blijkbaar niet gegeven. Hij heeft vast andere plannen met ons.’ Voorzichtig had ze nog geprobeerd adoptie ter sprake te brengen. Daar wilde Kees echter niks van weten. Ellie had hem dat lange tijd verweten. Ze vond hem kortzichtig, egoïstisch. Híj had zijn werk, maar wat moest zíj zonder gezin, zonder kinderen? Ze had zich verdiept in allerlei spirituele boeken en wandelde vaak in de bossen. Het had haar de bijnaam ‘bosvrouwtje’ opgeleverd. Niemand noemde haar rechtstreeks zo, maar ze wist dat, áls ze het in het dorp over haar hadden, ze zelden haar echte naam gebruikten. Ze wist ook dat de plaatselijke jeugd het leuk vond om haar bosheks te noemen vanwege het gekke sjaaltje dat ze altijd om haar hoofd droeg. Het kon haar niets schelen. Ze vond troost in de bossen. ’s Ochtends stond ze voor dag en dauw op. Eerst voerde ze de paar beesten die er nog waren op het bedrijf en vervolgens ging ze met de hond op stap. Dag in, dag uit. Weer of geen weer. Voor haar waren de dagen sowieso grijs sinds de dood van haar man. Was ze in de natuur, dan ging er weer iets in haar leven. Als ze een schuw ijsvogeltje zag of een vroege ree betrapte.
Ellie had Fleur aangeraden om ook eens het bos in te gaan. Volgens haar dé manier om de omgeving te leren kennen. ‘Lekker met je voeten in de modder en je hoofd in de wolken. Dat zorgt voor ruimte in de geest’, had ze er nog geheimzinnig aan toegevoegd. Fleur vond het maar spiritueel geneuzel. Brrrr, daar moest ze niks van hebben. Oké, zij was in Amsterdam ook wel eens met wat vriendinnen naar een yogales geweest. Gewoon, in zo’n zaaltje met wat matjes op de vloer. Onschuldige oefeningen doen en daarna met z’n allen een wijntje drinken op een terras. Ze had zich zelfs eens aan een les Body Balance gewaagd en bespottelijke kraanvogelhoudingen uitgeprobeerd. Maar dat was gewoon om te kijken of het wat voor haar was. Ze was er niet anders van geworden en had al helemaal geen contact gekregen met haar diepere ik. Tijdens het mediteren was ze als een blok in slaap gevallen. ’t Was dat ze wakker schrok van haar eigen gesnurk… Nu had ze dus een eenzame buurvrouw die helemaal in to the spirit world was en bovendien dé bosheks werd genoemd.
Tien minuten later…
Fleur zucht eens diep. Hoe kwam Juul nu toch aan dat woord boerenpummel? Had zij het zich misschien laten ontvallen aan de telefoon met Anne, haar beste vriendin in Amsterdam? Ze moest echt voorzichtiger zijn en op haar woorden letten als de kinderen in haar buurt waren. Misschien heeft haar dochter onbewust opgepikt dat ook zij liever in de hoofdstad was gebleven. Ze probeert het nog eens.
‘Juul, kom op. Ga gewoon met me mee naar binnen, dan zullen we zien of het echt zo erg is als jij denkt.’
Ze ziet Juul twijfelen.
‘Krijg ik echt nieuwe vriendinnen, mam? En zijn ze hier net zo leuk?’
‘Zeker weten,’ zegt Fleur net iets te snel en net iets te gemaakt.
Als de kinderen eenmaal in de klas zitten, loopt Fleur terug naar haar auto. Daar staat een wat oudere man haar op te wachten. Een boswachterfiguur. Hoge kousen, een broek tot de knieën, een grijze krulsnor en een mal tweedjasje aan. Hij lijkt zo uit een stripboek te zijn weggelopen. ‘Wat nú weer?’, denkt Fleur. Ze overweegt even om net te doen of het niet háár auto is, waar hij bij staat en de man voorbij te lopen. Daar krijgt ze de kans niet voor. ‘Is deze auto van u?’ bromt hij. ‘Euh, ja, hoezo?’ ‘Hij staat half op de stoep.’ ‘Klopt. Ik had haast’, antwoordt Fleur. Inwendig vervloekt ze de man. Waar bemoeit hij zich mee? In Amsterdam was ze gewoon ingestapt en weggereden, maar ze voelt dat ze dat hier niet kan maken. Hebben ze hier niets anders te doen dan op elkaar te letten en elkaar te corrigeren? ‘Ik ben bang mevrouw, dat ik u een waarschuwing moet geven. Nog een keer op de stoep parkeren en u krijgt een gele kaart.’ ‘Een gele kaart! Zó! En daarna een rode? Stuurt u me dan het dorp uit?’ Fleur lacht om haar eigen grap en wil instappen. De man vindt het helemaal niet grappig en doet nog een serieuze poging. ‘We proberen het autogebruik in ons dorp zoveel mogelijk te beperken. Wel zo rustig en bovendien veiliger voor onze schoolgaande kinderen. U heeft toch zelf ook drie kinderen op deze school? Kom voortaan lekker op de fiets. Of ga lopen. Waar woont u? In dat witte huis toch, bij de bosrand? Heeft meer dan een jaar te koop gestaan. Daar zult u wel een aardig centje voor neer hebben moeten leggen. En dan die hele verbouwing nog. Het was uitgewoond door de vorige eigenaar. Is ’t mooi geworden?’ Fleur kijkt de man verbaasd aan. Hoe weet hij dat allemaal? Net als ze hem antwoord wil geven, ziet ze een sjaaltje voorbijschieten. Het is Ellie. ‘Hé Hein, heb je kennisgemaakt met Fleur? Of ben je weer kaarten aan het uitdelen? Geef nieuwkomers een kans, wil je? Ze mogen toch wel even aan de spelregels wennen hier?’ Ze knipoogt naar Fleur. Hein briest als een oud paard, mompelt wat en vertrekt. ‘Wie is dat?’, vraagt Fleur nieuwsgierig aan Ellie. ‘O, dat is Hein, de buurtburgemeester. Denkt dat hij de baas is. Hij ziet alles en heeft overal oren. Pas een beetje op met hem.’ ‘Dank je’, zegt Fleur en even is ze heel blij met Ellie. ‘Wat horen nieuwe buren hier ook alweer te doen? Buurt maken? Hoe noemde je dat laatst? Een ‘intrekkersmaol’ organiseren? Misschien is het wel een goed idee om iedereen eens bij ons thuis uit te nodigen of niet?’
Wordt vervolgd
Tekst: Margriet van Buren Illustratie: Elly Overberg






