winter 2011
21. Nieje Naobers
Wat vooraf ging...
leur (38), haar man Enno (41) en hun vier kinderen (Koen 13, Roos 11, Tim 8 en Juul 5) zijn van Amsterdam naar een klein dorp op het platteland verhuisd. Enno is het grootste deel van zijn tijd in het westen, voor zijn werk als advocaat. Chantal, één van Fleurs vele vriendinnen uit Amsterdam, logeert tijdelijk bij de familie, omdat ze relatieproblemen heeft met haar man Maurice. Ze is neergeslagen door een onbekende insluiper, maar herstellende. De grote vraag is: wie was de insluiper en had hij het op Chantal gemunt? Is hij dezelfde als degene die vage pakketjes met hennepzaadjes en dreigbrieven bezorgt, bestemd voor ene meneer van Zanten? De hele toestand begint Fleur behoorlijk op de zenuwen te werken. Tot overmaat van ramp ontdekt ze dat Chantal en Enno een geheime relatie hebben en vraagt de politie haar naar een afspraak met de verstuurder van de dreigbrieven te gaan. Mogelijk gaat het om een criminele bende…
Een beetje nerveus manoeuvreert Fleur haar grote Landrover over het smalle zandpad. Ze heeft zich vast voorgenomen om, als alles voorbij is, hier een keer met de kinderen naar toe te gaan. De omgeving is echt betoverend: een enigszins heuvelachtig heidegebied met hier en daar een geheimzinnig vennetje. Wie niet beter weet zou denken ergens in een afgelegen streek in Frankrijk te zijn. Inwendig moet Fleur een beetje lachen om zichzelf. Wie had ooit gedacht dat zij – geboren en getogen in de grote stad – oog zou krijgen voor natuurschoon? Ze was veranderd het afgelopen jaar en vastbesloten er het beste van te maken. Ook zonder Enno zou ze hier best kunnen aarden. Terug naar Amsterdam wilde ze voor geen goud. Daarvoor was ze te veel gehecht geraakt aan het levensritme hier. De mensen zijn zo gemoedelijk en ze lijken nét iets minder gehaast en gejaagd te zijn dan in de stad. Geconcentreerd kijkt Fleur voor zich uit. Dan ziet ze de reden van haar komst naar deze afgelegen plek. In de verte staat de oude, vervallen molen met een klein geel bouwkeetje erachter. Dáár moet het zijn. In haar achteruitkijkspiegel ziet ze hoe Van Beveren zijn auto alvast aan de kant zet en de lichten dooft. Nu komt het er op aan, moet ze het alleen doen. Hoe heeft ze zich in deze situatie kunnen laten praten? Waarom moet zij zo nodig de held uithangen en de politie helpen een criminele bende op te rollen, die boeren lastig valt door schuren af te huren en ze vervolgens te gebruiken als hennepplantage? Wat als haar wat zou overkomen? Ze was moeder, van vier kinderen nota bene! Ineens had ze er ontzettend spijt van dat ze ja had gezegd tegen het voorstel van deze oude, ervaren rechercheur. Van Beveren had haar verzekerd dat er niets mis kon gaan. ‘Maak je geen zorgen, we houden je met camera’s en microfoontjes nauwlettend in de gaten. Je krijgt een oortje en een zendertje mee.’ Maar wat als het allemaal sterke, gewapende kerels blijken te zijn die het op Van Zanten hebben gemunt? Wat als Van Beveren niet direct kan ingrijpen? Hij is tenslotte maar van de streekpolitie. Fleur tuurt gespannen naar de verlaten plek, haalt diep adem en geeft dan een dot gas.
Voorzichtig, bijna geluidloos stapt ze even later uit haar auto en loopt in de richting van de molen. ‘Hallo, is daar iemand?’, roept Fleur met schorre stem. Ze kan een gil nog nét onderdrukken als onverwacht drie mannen achter haar opduiken en haar vastgrijpen. De grootste gaat dreigend voor haar staan. ‘Wie ben jij? Waar is Van Zanten? Ben jij gestuurd om de zaakjes voor hem op te knappen?’ Fleur kijkt de man angstig aan. ‘Ik ben Fleur en ik woon op het adres waar je alle post voor Van Zanten naar toe stuurt. Van Zanten woont daar echter niet, sterker nog: ik kén helemaal geen Van Zanten. Het was stom van me om zijn post te openen. Ik had er nooit in moeten kijken, sorry!’ De man neemt Fleur van top tot teen op. ‘Hoe heet je ook alweer?’, vraagt hij. ‘Fleur. Ik woon hier net een jaar.’ ‘Wat heb je gedaan met ons eerste pakketje?’ ‘Weggegooid’, piept Fleur. Met bange ogen dwingt ze zichzelf de man te blijven aankijken. Ze wil zich niet laten intimideren door zijn enge uiterlijk en grote handen. Ongemerkt gebeurt dat toch. ‘Ik begrijp het niet’, zegt de man dan. ‘We hebben laatst een bezoekje gebracht aan jouw huis en troffen daar een vrouw die ook al van niets wist. Je vriendinnetje?’ ‘Chantal?’, vraagt Fleur verbaasd. ‘Precies. Chantal. We hebben haar de stuipen op het lijf gejaagd, maar zijn er uiteindelijk niets mee opgeschoten. Hoe heet je man eigenlijk en wat doet hij voor de kost? Leuk verbouwd dat optrekje van jullie.’ Terwijl de man over Enno begint, komt hij iets dichter bij haar staan. Fleur moet zich inhouden om niet heel hard te gaan gillen en weg te rennen. ‘Ben je wel eens op de zolder geweest?’ Fleur kijkt de man verbaasd aan. ‘Nee. Hoezo? Mijn man is nog altijd op zoek naar de sleutel van de deur naar de zolder.’ Terwijl Fleur dit hardop zegt, hoort ze hoe belachelijk het klinkt. Shit! Enno weet hier meer van. Híj heeft contacten met die engerds, noemt zich Van Zanten om verder geen gedoe te krijgen.
‘Waar is je man nu?’ Fleur haalt haar schouders op. ‘Op zijn kantoor, Herengracht 312 in Amsterdam.’ De man gebaart naar zijn helpers. ‘Bind maar vast, wij gaan die meneer met een bezoekje vereren.’ Fleur stribbelt tegen, maar ze kan niet voorkomen dat ze naar binnen wordt gesleurd en op een stoel wordt vastgebonden en gekneveld. Waar blijft Van Beveren nu? Hij had al lang kunnen ingrijpen. Precies op het moment dat ze de mannen hun motoren hoort starten klinkt er een schot. Vanuit een mobilofoon schalt een stem: ‘Stap van jullie motoren af, leg eventuele wapens op de grond, jullie zijn omsingeld, kunnen geen kant op.’ Daarna is het volkomen stil. ‘Ik zit in een aflevering van Flikken Maastricht’, schiet het door Fleurs hoofd. Heel even moet ze glimlachen. Dan wordt de deur open gegooid en rent Van Beveren naar haar toe. ‘Alles goed?’, vraagt hij. Fleur mompelt ‘Ja’ en ‘Heb je ze?’ Van Beveren knikt, terwijl hij Fleur overeind helpt. ‘We moeten nu alleen nog even bij je thuis op de zolder kijken, als je dat goed vindt. Fleur haalt haar schouders op. ‘Dan zul je de zolderdeur moeten forceren, want ik heb geen sleutel.’
Even later staat Fleur voor de eerste keer op haar eigen zolder. Het stinkt er behoorlijk en het is er klam en warm. Overal waar ze kijkt, ziet ze groene hennepplanten. Ongelooflijk! Een drugsplantage boven haar hoofd! Enno móet hiervan geweten hebben. Met trillende vingers toetst ze zijn nummer. Als ze aan de andere kant van de lijn een opgetogen mannenstem haar naam hoort zeggen, slikt ze even. Is dit de man in wie ze altijd een rotsvast vertrouwen had? Is dit de man van wie ze zoveel hield dat ze haar hele leven overhoop haalde en hiernaartoe verhuisde? Haar gevoel voor Enno is veranderd in de afgelopen weken. Liefde heeft plaatsgemaakt voor wantrouwen, ongeloof en afschuw. Ze schraapt haar keel en met de stem van een vreemde zegt ze: ‘Enno, ik sta hier op zolder met de politie. Ik begrijp nu waarom je moest en zou verhuizen naar het platteland. Jammer dat jij daar straks niet meer van kunt genieten in je cel.’ Zonder zijn antwoord af te wachten drukt Fleur haar mobiel uit. Ze loopt naar buiten, recht haar schouders en haalt diep adem. Een frisse wind strijkt langs haar gezicht.
Voorgaande afleveringen: www.naobermagazine.nl
Tekst: Margriet van Buren Illustratie: Elly Overberg





