Nazomer 2011
19. Nieje Naobers
Wat vooraf ging...
leur (38), haar man Enno (41) en hun vier kinderen (Koen 13, Roos 11, Tim 8 en Juul 5) zijn onlangs van Amsterdam naar een klein dorp op het platteland verhuisd. Enno is het grootste deel van zijn tijd in het westen, voor zijn werk als advocaat. Chantal, één van Fleurs vriendinnen uit Amsterdam logeert tijdelijk bij de familie, omdat ze problemen heeft met haar man Maurice. Ze is neergeslagen door een onbekende insluiper, maar herstellende. De grote vraag is: wie was de insluiper en had hij het gemunt op Chantal? Ook worden er vage pakketjes met hennepzaadjes bezorgd, bestemd voor ene meneer van Zanten. De hele toestand begint Fleur behoorlijk op haar zenuwen te werken.
‘Ik heb een minnaar’, zegt Chantal en kijkt wat schuchter in de richting van Fleur. Ze peilt de reactie van haar vriendin. Fleur, de dege-lijkheid zelve, knikt. ‘Dat dacht ik al’, is haar simpele commentaar.
‘Hoezo, dat dacht ik al?’ vraagt Chantal een tikkeltje geïrriteerd. ‘Nou, een mens hangt alleen al vóór acht uur ’s ochtends aan de telefoon als er
iets aan de hand is of als je smoorverliefd bent op iemand.’ ‘Heeft Roos me vanochtend horen praten?’ Fleur knikt. ‘Daar was ik al bang voor.
Ze zat me zo aan te staren bij het ontbijt.’ ‘Wie is het?’, vraagt Fleur. ‘Iemand uit Amsterdam? Een oude vlam van je? Waarom vertel je het niet gewoon? Is-ie soms getrouwd?! Of nee, ’t is vast zo’n foute man. Een steenrijke huisjesmelker. Of doe je het soms met mijn buurman? Nee, dat lijkt me sterk. Hij is je type niet en je kent hem amper.’ Chantal schudt haar hoofd. ‘Kom op Chantal, ik ben ruimdenkend, ik kan er heus wel mee omgaan. Ik wil je helpen. Vertel gewoon wie het is. Je moet erover praten, anders krop je het maar op en kom je nooit uit deze situatie.’
Die laatste woorden raken een gevoelige snaar. Als een zwaar getroffen slachtoffer van een nog onduidelijk ramp begint Chantal onbedaarlijk te snikken. Verschrikt kijkt Fleur naar haar vriendin. Wat had ze nu helemaal gezegd? ‘Hier, een glas water’, probeert Fleur en ze legt troostend haar hand op de schokkende schouder van Chantal. Die weert het aardige gebaar meteen af, staat op en vlucht de badkamer in. Mijn God, denkt Fleur, die zit er aardig doorheen. Ze staat op om nog één poging te doen. Het is toch van de zotte dat Chantal haar niet in vertrouwen neemt. Wél zeggen dat ze een minnaar heeft en vervolgens de kaken stijf op elkaar houden. Zó flauw.
Ze staat net in de hal als de brievenbus kleppert en een stapeltje enveloppen op de deurmat valt. Fleur raapt de post op. Onwillekeurig scant ze de enveloppen. Een verkeersovertreding, een belastingaanslag, reclame en, shit, weer zo’n vreemde brief die niet aan haar of Enno maar aan ene Van Zanten is gericht. Wanneer houdt dit eens op? Ze had die inspecteur van de politie, Van Beveren, erover moeten inlichten. Stom dat ze dat niet gedaan heeft. ’t Kan niet anders dan dat degene die deze brieven schrijft óók iets met die insluiping te maken heeft gehad. Met één vinger rist Fleur de enveloppe open en haalt de brief tevoorschijn. Deze keer is het een keurig getypt A4’tje met een heel vriendelijk, nee eerder dringend verzoek om te verschijnen op de afgesproken datum en tijd. Mét de handel! Helemaal onderaan staat het adres waar Van Zanten zich zou moeten melden: Boerkampdijk 84. Als Fleur zich niet vergist, is dat ergens in het buitengebied. Ja, ze heeft die straatnaam al eens voorbij zien komen, toen ze Juul naar haar boerderijvriendinnetje bracht. Geen idee wat voor een handel dit is, fris klinkt het in elk geval niet. Even weifelt ze. Zal ze haar buurman Florian bellen? Tot op heden heeft ze alle mysteries rond de post voor Van Zanten met hem gedeeld. Hij heeft zelfs het eerste pakketje met een lading hennepzaadjes nog in zijn bezit. Fleur twijfelt. Ze heeft Florian al een tijd niet meer gezien. Zijn tante, vrouw Pasman, knapt de laatste tijd aardig op. Misschien is hij wel weer naar de stad. Daar runt hij immers zijn galerie. Snel toetst Fleur het 06-nummer van Florian in. Als hij geen tijd voor haar heeft, merkt ze dat vanzelf.
‘Fleur!’, klinkt een vrolijke stem aan de andere kant van de lijn. ‘Jou heb ik lang niet gezien of gehoord. Wat kan ik voor je doen? Ben je weer helemaal opgeknapt?’ Fleur mompelt dat het allemaal reuze meeviel. Een beetje hoofdpijn, maar dat het nu weer prima met haar gaat. Ze schaamt zich nog steeds over het flauwval-incident bij haar buurvrouw. ’t Was ook dom om zo overspannen naar Florian te rennen, nadat ze dat vreemde telefoontje had gekregen. Ze wist zeker dat het dorp er al uitvoerig over kletste. Nou ja, ’t is niet anders. Op samenzwerende toon steekt ze van wal. ‘Ik heb weer een brief gekregen voor Van Zanten.’ Even is het stil aan de andere kant van de lijn. ‘O, en wat staat er deze keer in?’ probeert Florian zo luchtig mogelijk. Fleur hoort echter aan zijn manier van praten dat ook hij nieuwsgierig is. ‘Van Zanten wordt zaterdag om tien uur verwacht aan de Boerkampsdijk 84. Weet jij waar dat is, Florian?’ Er valt een stilte, dan: ‘Ja, ik geloof dat het bij die oude, vervallen molen is? Wat ga je doen, Fleur?’ ‘Hoezo, wat ga ik doen? Ik doe niets. Misschien moet ik het vanavond met Enno bespreken en dan morgen naar de politie. Dat lijkt me het beste.’ ‘Dat zou je kunnen doen ja’, zegt Florian teleurgesteld. ‘We kunnen ook samen gaan kijken wat voor een lui het zijn, die jou deze rotzooi toesturen.’ Ineens moet Fleur lachen. Het idee om samen met Florian vanuit een bosje de molen te bespieden spreekt haar op de een of andere manier wel aan. Dan zegt ze reso-luut. ‘Nee, Florian. Dit groeit ons boven het hoofd. Ik vertrouw het zaakje niet. Ik leg het bij de politie neer.’
‘Wat leg je bij de politie neer? Je zit toch niet nog steeds met die insluiper in je hoofd?’ Geschrokken draait Fleur zich om en drukt in één automatische beweging haar mobiel uit. Chantal staat vlak achter haar. Van haar huilbui is niets meer te zien. ‘Gaat het weer een beetje?, vraagt Fleur aan haar vriendin. ‘Dat kan ik beter aan jou vragen. Je ziet lijkbleek. Wat is er?’ Fleur haalt haar schouders op. In plaats van antwoord te geven stelt ze zelf een nieuwe vraag. ‘Waarom rende je nou weg, daarnet? Is het zó erg om je beste vriendin in vertrouwen te nemen?’ Fleur ziet dat haar vriendin aarzelt en dringt daarom nog even aan. ‘Je weet dat je bij mij een potje kunt breken? Ik hou toch van je!’ Chantal aarzelt. ‘Oké, als je het dan per se wilt weten. Het is Enno. Ik ga vreemd met Enno, jouw Enno.’
(wordt vervolgd)
Tekst: Margriet van Buren Illustratie: Elly Overberg





