Zomer 2010
12. Nieje Naobers
Fleur (38), haar man Enno (41) en hun vier kinderen (Koen 13, Roos 11, Tim 8 en Juul 5) zijn onlangs van Amsterdam naar een klein dorp op het platteland verhuisd. Enno is het merendeel van zijn tijd in het westen, voor zijn werk. Als advocaat is hij gespecialiseerd in echtscheidingen. Chantal, één van Fleurs vriendinnen uit Amsterdam, logeert tijdelijk bij de familie, omdat ze problemen heeft met haar man Maurice.
Fleur heeft al heel wat nieuwe mensen ontmoet: de buurvrouwen Ellie en vrouw Pasman en Florian Haerst, de aardige neef van de laatste. Als Fleur naar haar huis loopt, ziet ze de politie voor de deur staan. Chantal blijkt te zijn neergeslagen, waarschijnlijk door een man met een vieze, oude jas. Dat is wat Chantal aangeeft. Wie is de insluiper en waarom had hij het op Chantal gemunt?
erbeeldt ze het zich of houdt het geroezemoes onder de moeders ineens op, als zij het schoolplein oploopt? Fleur kijkt verbaasd om zich heen, ze ziet overal nieuwsgierige blikken. Snel loopt ze naar de uiterste hoek van het plein. Om wat te doen te hebben, haalt ze haar mobiel uit haar tas. Shit, drie berichten gemist. De eerste twee zijn van Enno. Zit in de file x E, sms’t hij. Nu al file? Het is net drie uur! Fleur had gehoopt dat hij thuis zou zijn, als zij met de kinderen uit school kwam. Nu moet ze hen zelf vertellen wat er met Chantal is gebeurd. Geïrriteerd drukt Fleur op het derde bericht. Dat is van Florian. Kort en krachtig vraagt hij of ze hem wil terugbellen. Fleur kijkt op haar horloge. Over vijf minuten komt Juul aangestormd. Ze kijkt om zich heen. Met al die luistervinken op gehoorafstand is het beter even te wachten. Snel tikt ze een kort bericht: sta op schoolplein, bel je later. F. Vanuit een ooghoek ziet ze Liesbeth, de moeder van Anne, op haar af komen. Anne is
een vriendinnetje van Juul. Of Liesbeth daar zo blij mee is? De laatste keer dat Juul bij Liesbeth op de boerderij speelde, is Fleur compleet vergeten haar op te halen. Sindsdien doet Liesbeth koel tegen haar. ‘Wat heb ik gehoord, was er een insluiper in jullie huis?’, vraagt ze op bezorgde toon. ‘Je zult wel behoorlijk geschrokken zijn. Was je thuis? Er is ook iemand naar het ziekenhuis gebracht. Of niet? Bij ons op het erf kon je sirene nog horen. Heb je de insluiper met een koekenpan op z’n kop geslagen? Ik ben meteen in het dorp gaan vragen wat er aan de hand was.’ Fleur had het kunnen weten. De sociale controle is hier groot. Niemand weet precies wat er aan de hand is, maar kennen ze de helft van een verhaal, dan verzinnen ze de rest er gewoon bij. Ineens realiseert ze zich dat Liesbeth dé aangewezen persoon is om poolshoogte bij haar te nemen. Kan ze daarna het laatste nieuws rondbazuinen. Nou, daar trapt Fleur mooi niet in. Iets te bot zegt ze daarom: ‘Sorry, het verhaal is een stuk minder spectaculair. En ik vervul zeker geen heldenrol. Maar ik mag er niets over zeggen. Orders van de politie.’ Dat laatste verzint ze ter plekke.
Voordat Liesbeth kan antwoorden, gaat de bel en stormen de kleuters het plein op. Juul rent hand in hand met Anne naar hen toe. ‘Mag Anne bij me spelen? Please?’
Eer Fleur haar mond open kan doen, zegt Liesbeth: ‘Misschien moeten jullie vanmiddag maar koekjes komen bakken op de boerderij.’ Dat was een onverwacht, lief aanbod. Ineens heeft Fleur spijt van haar kattige opmerking, daarnet. Dankbaar kijkt ze opzij en pakt ze Liesbeth bij de arm. ‘Dank je wel. Ik zal Juul deze keer op tijd ophalen en als ik meer nieuws over de insluiper heb, hoor je het.’ Snel geeft ze Juul een kus en loopt dan naar de auto, waar Roos en Tim al op haar wachten. ‘Hé mam, wat zie jij eruit?’, zegt Tim, terwijl hij haar onderzoekend aankijkt. ‘Heb je gehuild?’ Lachend wuift Fleur de bezorgdheid bij haar zoon weg. ‘Hooikoorts Tim. Maar er is wel iets gebeurd, toen jullie op school zaten. Als we straks allemaal thuis zijn, zal ik er meer over vertellen. Nieuwsgierig vraagt Roos of haar moeder niet alvast een tipje van de sluier kan oplichten. Fleur schudt haar hoofd. ‘Nee, nieuwsgierig Aagje, ook jij zult even moeten wachten.’ ‘Gaan we soms weer verhuizen?’, vraagt Roos dan. ‘Zou je dat willen?’, vraagt Fleur verbaasd. Vastberaden schudt Roos haar hoofd. ‘Ik vind het leuk hier. Jij toch ook mam?’ Fleur knikt en stapt dan snel in de auto.
Als Enno tegen half zes komt binnenvallen, stormen zijn kinderen één voor één op hem af. Fleur kijkt eerst naar de klok en dan naar Enno. ‘Flinke file!’, zegt ze alleen maar. Enno stapt op haar af om haar te kussen, maar Fleur wendt haar gezicht af. Enno steekt wanhopig zijn handen in de lucht. ‘Waar heb ik dit nu weer aan verdiend? Ik ben eerst even bij Chantal in het ziekenhuis langs gegaan. Ik dacht, laat ik haar nu gezelschap houden, dan kun jij vanavond weer. Arme Chantal, ze is niet de gemakkelijkste, maar dit verdient natuurlijk niemand. Verschrikkelijk wat er is gebeurd.’
Verbaasd kijkt Fleur op. ‘Was je in het ziekenhuis?’ Met die mogelijkheid had ze even geen rekening gehouden. Ze had hem alleen maar vervloekt, omdat ze er – zoals gewoonlijk – weer in haar eentje voorstond. De politie stond nog een keer voor de deur, ze moest de nieuwsgierige vragen van de kinderen omzeilen, Juul ophalen én eten koken. Fleur zucht eens diep. Stom! Natuurlijk was Enno eerst naar Chantal gegaan. Zij was immers neergeslagen en kon nu steun gebruiken. Zelf was Fleur er vanochtend geweest. Maar toen had Chantal alleen maar geslapen.
‘Sorry’, zegt ze zacht, ‘daar had ik even niet aan gedacht’. Met een schuldbewuste blik kijkt ze haar man aan. Hij ziet er moe uit. ‘Hoe was het met Chantal? Aanspreekbaar?’ Enno denkt even na en zegt dan: ‘Ja en nee. Ze klaagde over hoofdpijn. Toen ik haar vroeg te vertellen wat er vanochtend precies is gebeurd en of ze de insluiper mogelijk herkend heeft, begon ze te huilen. Ik ben er maar niet op doorgegaan, ik vermoed echter dat ze een flink trauma heeft opgelopen. Ik heb haar aangeboden Maurice te bellen, maar dat wilde ze beslist niet.’ ‘Oh’, is het enige dat Fleur weet uit te brengen. Zij had Maurice meteen gebeld. De eerste keer had hij de verbinding verbroken, maar Fleur had zich niet willen laten afpoeieren en was blijven bellen. Pas tegen een uur of twee had hij opnieuw opgenomen met de woorden: ‘Fleur, als je me belt in opdracht van Chantal, hang ik weer op.’ Snel had Fleur hem verzekerd dat Chantal er niet achter zat. Sterker nog: er niet achter kón zitten, omdat ze met een flinke hersenschudding in het ziekenhuis lag. Even was het stil aan de andere kant van de lijn. ‘Wat heeft ze dan?’, vroeg Maurice. ‘Een insluiper heeft haar met iets hards op haar hoofd geslagen.’ ‘Echt?’, had Maurice gezegd. Alsof je zoiets kon verzinnen. Voorzichtig had Fleur gevraagd of Maurice woensdagmiddag niet even wilde langskomen met zijn dochters. Chantal miste de meisjes zo. Maurice was in lachen uitgebarsten. Was dat zo? Nou, daar had ze dan verdomd weinig van laten merken, de afgelopen weken. Niet één keer had ze gebeld. ‘Maar dat heb jij haar toch verboden? Jij hebt haar toch het huis uitgezet, omdat ze met een andere man flirtte?’, probeerde Fleur. ‘Ik!? Hoe kom je erbij, Fleur. Zegt ze dat? Wat een secreet! Ze is zelf vertrokken met één of andere rijke patser. Een heel verkeerd type, volgens mij. In elk geval heeft ze me heel duidelijk gemaakt dat zij een time-out wilde. En dat ik de komende tijd maar voor de meisjes moest zorgen, zodat zij kon ontdekken wat ze nu echt wilde. Ik maak me zorgen om haar, Fleur. Volgens mij is ze overspannen. Het begin van een midlifecrisis of zo. Ik kan er de vinger niet goed opleggen.’ Fleur was met stomheid geslagen. Chantal had haar iets heel anders verteld. ‘Ik moet ophangen, Maurice. Ik bel je als ik meer nieuws heb.’
Sprak Maurice de waarheid en vergiste ze zich zo in Chantal? Loog die haar maar wat voor? Moest ze dit aan Enno vertellen? Nee, ze zou er Chantal vanavond wel mee confronteren, als ze het idee had dat ze het aankon.
‘Hé mam, ben je weer aan het dagdromen? Wat eten we? En wat voor spannends gaan jullie ons nu vertellen?’ Het is Roos. Snel pakt Fleur de pan spaghetti van het vuur en draait het gas uit. ‘Allemaal aan tafel!’, roept ze. Even later kijken vier paar kinderogen haar vragend aan. Maar Fleur kijkt heel beslist naar Enno. Dít klusje mag hij klaren.
Als Fleur een paar uur later in het ziekenhuis komt, ziet ze meteen de flinke bos rode rozen naast het bed van Chantal. ‘Mooi hè? Van Enno’, zegt Chantal zacht. ‘Prachtig, ja’, zegt Fleur geïrriteerd. De laatste keer dat zij zo’n mooie bos bloemen heeft gekregen is toch al weer ruim anderhalf jaar geleden. Ze weet het nog precies, het was de dag nadat ze ja had gezegd tegen de verhuizing. Nu maar even niet aan denken. Enno zou haar ook zo’n bos rozen hebben gegeven als zíj hier had gelegen en zíj ligt hier niet. Godzijdank. ‘Hoe gaat het met je? Heb je pijn?’ Chantal steunt en knikt vermoeid. Het roept alleen maar meer irritaties op bij Fleur. Voordat ze het weet, flapt ze het eruit: ‘Je krijgt de groeten van Maurice en de meisjes. Ik heb hem vanochtend gebeld. ’t Gaat goed met ze.’ Verschrikt kijkt Chantal in haar richting. ‘Wát? Wat heb je gedaan? Maurice gebeld? Ben je wel goed snik? Ik heb toch gezegd dat hij niks met me te maken wil hebben? Shit! Nu gaat het nóg langer duren, voor ik mijn meisjes weer zie’, snikt Chantal. ‘Oh ja? Maurice vertelde mij iets heel anders.’ Verbaasd kijkt Chantal in haar richting. Alsof ze het in Keulen heeft horen donderen. ‘Wat zei hij dan?’
(wordt vervolgd)
Tekst: Margriet van Buren Illustratie: Elly Overberg






