Lente 2010
11. Nieje Naobers
n de verte gilt een sirene. Fleur loopt net het bos uit. Met de hand boven haar ogen, zodat ze niet verblind wordt door de felle zon, kijkt ze waar het geluid vandaan komt. Politie? Wat zou er aan de hand zijn? Fleur ziet hoe de politieauto met grote vaart het zandpad oprijdt en steeds dichterbij komt. De auto produceert een enorme stofwolk. Even blijft Fleur stokstijf staan. Nee hè? De politie draait uitgerekend bij haar het erf op. Shit! Er zal toch niks gebeurd zijn met de kinderen? Een ongeluk? Koen! Hij fietst elke dag minstens tien kilometer naar school. En niet alleen maar over veilige fietspaden. Hij zal op dat drukke kruispunt toch niet geschept zijn door een onoplettende vrachtwagenchauffeur? Nee! Fleur versnelt haar pas. Wat moest ze ook in het bos met Florian? Wat kon haar dat pakje met hennepzaadjes schelen! Op dit uur hoorde ze gewoon thuis te zijn. Het was een bende in de keuken. Niet alleen stond het ontbijt er nog, ook de afwasrestjes van het intrekkersmaol had ze nog niet opgeruimd.
Als er iets mis was met Koen, zou Enno haar zeker verwijten maken. Wat had ze ’s ochtends zo vroeg in het bos te zoeken? Dan had ze beter Koen naar school kunnen brengen met haar auto. Waar had ze dat dure ding anders voor? Fleur was het op dat punt niet met haar man eens. Ze vond dat Koen, net als alle buurtkinderen, elke dag zijn kilometers in de frisse lucht moest maken. Die beweging was goed voor hem. Thuis zat hij immers het liefst de hele middag achter zijn computer. Fleur wist nu al dat ze het zichzelf nooit zou kunnen vergeven, als er iets mis was met Koen.
Hijgend rent ze de oprit op. Op dat moment springen twee forse politiemannen net uit hun auto. Ze gebaren haar afstand te houden en lopen voorzichtig richting voordeur. Dan trekken ze allebei hun wapen. ‘Wat is dit?’ zegt Fleur. Haar paniek slaat om in nerveus gegiechel als ze doorheeft dat beide mannen in elk geval niet zijn gekomen om haar te vertellen dat er iets mis is met Koen. ‘Ik zit toch niet in Candid camera? Of in de Miami Vice-versie van TV Oost? Laat me raden: jullie zijn Crockett and Tubs? Aangenaam, ik ben Fleur.’ De jongste politieman, met een aantrekkelijke blonde lok voor zijn ogen, beduidt dat ze stil moet zijn. Hij sist haar toe dat ze zich achter de auto moet verbergen. Fleur ziet dat het menens is. Wat is hier in godsnaam aan de hand? Ineens realiseert ze zich dat Chantal binnen is. Zou zij de politie hebben gebeld? Fleur kijkt op haar horloge, half tien. Normaal gesproken ligt Chantal om deze tijd nog op één oor. Haar vriendin komt niet eerder dan rond een uur of elf tevoorschijn. Vaak met rode huilogen, omdat ze haar dochtertjes die bij hun vader in Amsterdam wonen, zo mist. Er bekruipt Fleur een onbehaaglijk gevoel. Ze ziet hoe de politiemannen de voordeur een duwtje geven en naar binnengaan. Hoe kan het dat die deur open staat? Ze wist toch heel zeker dat ze hem vanochtend had dichtgetrokken en op slot gedaan. Voorzichtig kruipt ze achter de auto vandaan. Ze móet weten wat er aan de hand is.
Geluidloos sluipt ze achter de agenten aan. De ‘blonde lok’ vliegt naar boven, de andere agent doorzoekt de benedenetage. Verstijfd van schrik blijft Fleur in de hal staan. Hier is iets goed mis. Dan hoort ze de jonge agent vanuit één van de slaapkamers roepen: ‘Gerrit, ze is hier. Bel een ambulance!’ Zo snel ze kan, rent Fleur naar boven. Chantal ligt languit, in een beetje een vreemde hou-ding, op de drempel van de logeerkamer. Ze heeft nog steeds dat dunne, satijnen nachthemdje aan, waarin ze elke ochtend vrolijk door het huis loopt te flaneren. Het stoort Fleur eigenlijk meer dan ze wil toegeven. Ook nu weer heeft ze de neiging een badjas te pakken en die over Chantal heen te leggen. In plaats daarvan knielt ze naast haar vriendin neer. ‘Chantal! Wat is er gebeurd?’ Fleur buigt zich iets voorover en legt haar oor tegen Chantals mond. Ze kreunt zacht. Dan ziet Fleur de wond op haar voorhoofd. Chantal moet met iets hards zijn geslagen. ‘Ze moet naar het ziekenhuis’, zegt de jonge diender rustig. Hij legt een hand op Fleurs schouder. ‘Mijn collega heeft de ambulance al gebeld.’ Dan wendt hij zich tot Chantal: ‘Kunt u praten mevrouw? Kunt u vertellen wat er gebeurd is?’ Chantals ogen schieten angstig alle kanten op. Happend naar adem zoekt ze naar de juiste woorden. Fleur en de agent kijken haar gespannen aan. ‘Een man’, kreunt Chantal. ‘Oude, vieze jas.’ Chantal probeert wat overeind te komen. Het kost haar te veel kracht. Een tel later laat ze zich terugvallen in de armen van haar vriendin. Ze zakt opnieuw weg. Gelukkig is de ambulance er snel. Fleur drukt haastig een kus op het gezicht van Chantal die langzaam wat bijkomt. Dan ziet ze hoe het ambulancepersoneel haar vriendin de auto inschuiven. Het liefst zou ze meegegaan zijn naar het ziekenhuis, de agenten willen haar echter nog graag het een en ander vragen, zodat ze verder kunnen met hun onderzoek.
Door het keukenraam kijkt Fleur de zwaailichten van de ambulance na. Wat een toestand op de vroege maandagmorgen. ‘Koffie?’, vraagt ze de agenten. Pas als Fleur de kopjes uit de kast pakt, merkt ze hoe haar handen trillen. Ze haalt diep adem en gaat vervolgens zo rustig mogelijk bij de agenten aan tafel zitten. ‘Leuk optrekje heeft u hier mevrouw’, steekt de blonde lok van wal. ‘Dank je’, zegt Fleur. ‘Waar kwam u vandaan, toen wij hier arriveerden?’ De andere agent kijkt haar indringend aan, terwijl hij zachtjes over de rand van zijn koffiekopje blaast. Fleur voelt hoe haar hoofd langzaam rood wordt en haar wangen beginnen te gloeien. Zo rustig mogelijk antwoordt ze dat ze net terugkwam van een wandeling in het bos. ‘Alleen? Op dit vroege uur?’, vraagt de oudere politieman. Uitdagend laat hij zijn blik over de flinke hoeveelheid afwas op het aanrecht glijden. Fleur voelt meteen de behoefte zich te verdedigen, maar waarom zou ze eigenlijk. Zij had niks gedaan. ‘Ja, ik was alleen. Ik had de kinderen naar school gebracht en toen dacht ik: ik maak eerst even een korte wandeling, voordat het weer omslaat. Je moet elk zonnestraaltje meepakken, toch? Gisteren hadden we hier een intrekkersmaol voor de buurt, vandaar die afwas.’ ‘Hebt u nog gekke dingen gezien of gehoord in het bos?’ ‘Nee hoor. Bij de bosrand liep ik toevallig Florian Haerst tegen het lijf. Hij woont hiernaast, bij zijn tante. We hebben een praatje gemaakt en zijn een stukje samen opgelopen. En daarna ben ik naar huis gegaan.’ ‘Zo, zo’, knikt de politieman. ‘Enig idee wie uw vriendin pijn heeft willen doen? Heeft ze vijanden?’ Fleur denkt na en schudt langzaam haar hoofd. Chantal kende hier toch niemand? Bij het intrekkersmaol had ze zich alleen met Florian en Enno beziggehouden. Tja, ze had natuurlijk ruzie met Maurice, haar man. Maar hij zou zoiets niet doen. Nee, fysiek geweld, dat was niks voor Maurice. Bovendien was hij, volgens Chantal, opgelucht dat ze even uit elkaar waren en apart woonden. Maurice had haar het huis uitgezet, dan zou hij haar hier toch niet lastig vallen? Nee, onmogelijk. Fleur zou hem straks bellen. Hij moest toch weten dat Chantal in het ziekenhuis lag. En Enno, hem moest ze ook bellen.
Fleur kijkt op haar horloge. Het is tien over half elf. ‘Heeft u nog meer vragen, heren? Ik wil eigenlijk mijn man bellen om te vragen of hij thuis komt.’ De mannen knikken. ‘We hebben nog één vraag. Hebt u enig idee wie de politie kan hebben gebeld?’ Verrast kijkt Fleur de mannen één voor één aan. ‘Hoezo?’ ‘Er is bij ons een anoniem telefoontje binnengekomen. We weten niet eens zeker of het een man of een vrouw was die belde. In elk geval leek de persoon in kwestie behoorlijk overstuur.’ Fleur graaft in haar geheugen. De enige twee die ze kan bedenken zijn haar buurvrouwen Elly en vrouw Pasman. Maar beiden zouden gewoon hun naam hebben gezegd. Vreemd. ‘We gaan maar eens praten met die naobers’, knipoogt de jongste politieagent. ‘We houden u op de hoogte.’ Fleur knikt afwezig. Ze steekt haar hand op en loopt dan naar de woonkamer, op zoek naar haar agenda. Het mobiele nummer van Maurice moet daar in staan. Snel toetst ze het nummer in. De telefoon gaat zeker drie keer over, voordat een afgemeten en vermoeide stem zegt: ‘Met Maurice.’ Fleur slikt. ‘Hoi Maurice, met Fleur spreek je.’ Aan de andere kant klinkt gerommel en geruis, gevolgd door eentonige piepjes. Hij heeft opgehangen! Lul, denkt Fleur. Met trillende vingers toetst ze nogmaals zijn nummer in.
(wordt vervolgd)
Tekst: Margriet van Buren Illustratie: Elly Overberg






