Nazomer 2010
13. Nieje Naobers
Wat vooraf ging...
Fleur (38), haar man Enno (41) en hun vier kinderen (Koen 13, Roos 11, Tim 8 en Juul 5) zijn onlangs van Amsterdam naar een klein dorp op het platteland verhuisd. Voor zijn werk is Enno het merendeel van zijn tijd in het westen. Hij is advocaat, gespecialiseerd in echtscheidingen. Chantal, één van Fleurs vriendinnen uit Amsterdam, logeert tijdelijk bij de familie, omdat ze problemen heeft met haar man Maurice. Chantal is net terug uit het ziekenhuis. Ze was opgenomen, omdat ze is neergeslagen door een onbekende. Het enige wat ze weet, is dat het een man was met een vieze, oude jas. Grote vraag waar de politie nog niet uitkomt: wie was de insluiper en had hij het op Chantal gemunt? En de hennepzaadjes uit het geheime pakketje, hebben die er nog iets mee te maken?
il je zeggen dat ik slaap, nog steeds koppijn heb, het rustig aan moet doen?’, vraagt Chantal aan Fleur als ze ziet dat een politiewagen de oprit oprijdt. ‘Hoezo? Je kunt ze toch nog wel even te woord staan? Doe nu niet zo flauw. Dat verwende gedrag van je. Misschien hebben ze wel iemand opgepakt.’
‘Noem je mij verwend? Je weet niet waar je over praat! Ik heb iets vreselijks meegemaakt, weet je nog wel!’
Fleur kijkt haar vriendin aan. ‘Inderdaad. Het is niet niks wat jou is overkomen en ik vind het echt heel vervelend voor je, maar je zult toch met me eens zijn dat zoiets niet nóg eens moet gebeuren. Geef de politie gewoon antwoord, wie weet vinden ze die engerd.’
‘Maar ik heb alles al verteld’, verzucht Chantal. ‘Ik heb geen zin in nóg een verhoor. Toedeloe.’ Snel beent ze naar de trap in de hal en verdwijnt naar de logeerkamer. Fleur kijkt haar vriendin boos na. ‘Stomme trut’, mompelt ze. Langzaam loopt ze naar de voordeur. ‘Hallo’, zegt de agent die zich ooit heeft voorgesteld als rechercheur Willem van Beveren. ‘Is Chantal de Groot thuis?’ Fleur twijfelt. ‘Ja, nee, ik bedoel, ze is er wel, maar ze slaapt. De dokter heeft gezegd dat ze veel moet slapen en dat advies neemt ze ter harte.’ ‘Oké, nou, misschien kan ik dan eerst even met jou praten?’ Fleur doet een stap naar achteren en laat de rechercheur binnen. ‘Koffie?’ Van Beveren knikt en loopt vervolgens door naar de keuken. ‘Is er al nieuws? Hebben jullie iemand opgepakt?’ Berekenend kijkt Van Beveren Fleur aan. ‘Helaas niet. We zitten nog met wat losse eindjes. We vragen ons bijvoorbeeld af hoe de insluiper heeft kunnen binnenkomen. Er zijn geen sporen van braak. De achterdeur was op slot, de voordeur hebt u zelf dichtgetrokken. Er stonden geen ramen open. Dus…’ Moet Chantal de man zelf in huis hebben gehaald, denkt Fleur. Waarom zegt ze dat dan niet gewoon? Misschien was het wel die rijke patser over wie Maurice, de ex van Chantal, het laatst had toen ze hem belde om te vertellen wat er met Chantal was gebeurd. Had ze een stiekem rendez-vous met hem? Liep dat op de een of andere manier helemaal uit de hand? Fleur opent haar mond, maar doet hem snel weer dicht. Het is niet aan haar om dit soort speculaties met de politie te delen. Chantal is haar vriendin, zij moet zelf de waarheid vertellen. Er zal vast een reden zijn waarom ze dat tot nu toe nog niet heeft gedaan. ‘Wilde je iets zeggen?’, vraagt van Beveren. ‘Euh, nee. Kan het niet zo zijn dat er tóch ergens gewoon een raampje heeft open gestaan? Misschien waren de tuindeuren in de woonkamer niet op slot.’
‘Wie heeft er allemaal een sleutel van je huis?’, vraagt Van Beveren.
‘Gewoon, mijn man, mijn twee oudste kinderen, Chantal en onze schoonmaakster. O ja, mijn buurvrouw Ellie heb ik er laatst ook één gegeven, maar die heeft hier niks mee te maken, zij is echt heel betrouwbaar. Weten jullie eigenlijk al wie er gebeld heeft?’ ‘Nee. Zowel Ellie als vrouw Pasman heeft niks gezien of gehoord. Vrouw Pasman had nog wel een interessant verhaal over de vorige bewoners. Ongure types volgens haar. Weet je of de vorige bewoners contacten hadden in het dorp?’
‘Jee, hoe moet ik dat nou weten? Jullie zijn toch de speurneuzen? Niet ik.’ Van Beveren lacht. ‘Rustig maar. Je man, Enno, hebben we trouwens ook nog steeds niet kunnen spreken.’
‘Ik geef een kaartje van hem. Hij is door de week vooral in Amsterdam. Hij vertrekt ’s ochtends voor de files en is meestal pas na zevenen thuis.’
‘Je zegt het op een toon, alsof je het daar niet altijd mee eens bent’, vist Van Beveren. ‘Nou, leuk is anders. Ik ben niet met hem getrouwd en ik heb geen vier kinderen gekregen om hier in een mooi huis te wonen en er verder helemaal alleen voor te staan.’ Fleur realiseert zich ineens hoe fel die woorden klinken. Snel zegt ze daarom: ‘Maar goed, we dwalen af. Had je verder nog iets?’ ‘Nee’, zegt van Beveren. ‘Wil je Chantal vragen me te bellen? Doet ze dat niet, dan laat ik haar morgenochtend ophalen voor verhoor.’
‘Kun je haar niet nog wat rust gunnen?’ Van Beveren haalt z’n schouders op en staat op. ‘Ik doe ook maar mijn werk.’
Fleur kijkt de politieauto na. In wat voor een wildwesttafereel is ze verzeild geraakt? Ze kijkt op haar horloge. Elf uur. Ze moet eigenlijk haar moeder bellen, die is jarig vandaag. Fleur had beloofd er na schooltijd met de kinderen heen te rijden, maar ze heeft geen zin. Het enige wat haar moeder de laatste tijd doet is zeuren. Fleur, ben je wel gelukkig? Mis je Amsterdam niet vreselijk? Houd je Enno goed in de gaten? Alsof ze een klein kind is. Snel drukt ze het nummer van haar moeder. Ze heeft geluk: antwoordapparaat. Zo vrolijk mogelijk spreekt Fleur een boodschap in: ‘Hoi mam, met Fleur. Jammer dat je er niet bent. Van harte gefeliciteerd, ook van de kinderen natuurlijk. Ik wilde komen, straks, maar dat gaat niet lukken. De auto is bij de garage, maar we komen snel! Groetjes.’
‘Een leugentje om bestwil?’ Fleur schrikt en draait zich om. ‘Florian, eh, hoi.’ ‘Je auto staat gewoon op de oprit, toch? Of start hij soms niet meer?’ Fleur lacht. ‘Oké, je hebt me betrapt. Ik heb geen zin in mijn moeders verjaardag. Ik wil Chantal nu niet alleen laten. Ze is nog zo van slag.’ Florian knikt begrijpend. ‘Heeft de politie al een idee?’ Fleur schudt haar hoofd. ‘Arme Chantal. Heb je ze nog verteld van het pakje dat ik je laatst liet zien in het bos?’ Opnieuw schudt Fleur haar hoofd.
‘Had ik dat moeten doen? Nee toch? Dat pakje is hier gewoon verkeerd bezorgd. Dat was helemaal niet voor ons bedoeld, maar voor ene Van Zanten. Hennepzaadjes, wat moeten wij daar mee?!’
‘Stt, niet zo hard. De hele buurt hoeft niet te weten wat de post bij je brengt.’
‘Voel je je schuldig, Florian? Omdat je stiekem de post van een ander hebt zitten bekijken?’ Fleur lacht en wil naar binnengaan, als Florian haar arm vastpakt. ‘Alsjeblieft, doe niet zo lichtzinnig, Fleur. Wie weet waren de vorige bewoners wel lid van de hennepmaffia.’ Fleur legt haar hand op het voorhoofd van Florian. ‘Gaat alles wel goed met je? Heb je alles op een rijtje daarboven? Je begint nu echt te ijlen. Vergeet het pakje, vergeet de insluiper en ga lekker verder met je leven.’
Florian haalt zijn schouders op. ‘Dan moet je het zelf maar weten.’ Een tikkeltje geïrriteerd loopt hij het pad af. Hij is teleurgesteld in de naïeve houding van zijn buurvrouw. Boos schopt hij tegen een tennisballetje dat daar toevallig ligt. De bal mist op een haar na het voorwiel van de postbode die net het pad komt oprijden. ‘Kijk uit!’, schreeuwt deze nog. Het is al te laat. De postbode begint te slingeren en duikt met fiets en al de struiken in. Overal liggen postpakketten en brieven op het pad. Fleur komt aangesneld en helpt de postbode overeind. Die lijkt – op wat schrammen en bulten na – ongedeerd. Florian stamelt de ene verontschuldiging na de andere en is alvast begonnen met het stapelen van de post. ‘Sorry, ik had je niet zien aankomen. Wat vreselijk stom van me om tegen die bal te schoppen. Kun je alles nog bewegen? Heb je ergens pijn? Is je fiets nog heel?’ Alles lijkt mee te vallen, al is de postbode danig uit zijn humeur. Fleur hoort hem binnensmonds vloeken en tieren. ‘Boerderijen mijd ik vanwege die vreselijke rothonden, word ik aangevallen door een tennisbal! Wie verzint zoiets?’
‘Wilt u koffie?’ vraagt Fleur hem uit beleefdheid? ‘Of een glaasje water misschien, tegen de schrik.’
‘Nee bedankt’, zucht de postbode. ’Ik moet verder, anders ben ik vanmiddag niet op tijd thuis bij moeder de vrouw.’ Hij kijkt naar zijn post en leest blijkbaar de naam op het bovenste pakketje. Terwijl hij het aan Fleur overhandigt, zegt hij: ‘Uw post, mevrouw van Zanten. Goedemiddag.’ Fleur kijkt hem verbaasd aan en wil net zeggen dat ze geen Van Zanten heet. Ze kan die woorden nog net op tijd inslikken en in plaats daarvan ‘Dankjewel’ zeggen. Florian verontschuldigt zich nogmaals voor zijn belabberde voetbalkunsten en loopt dan naar Fleur. Inmiddels is ook Chantal op het lawaai afgekomen. Ze staat vlak achter Fleur en vraagt: ‘Is er nog iets voor mij bij?’ Terwijl ze haar handen al uitstrekt om de post na te kijken, antwoordt Fleur. ‘Ik kijk wel even. Nee, ja toch, een kaartje.’ Chantal pakt het snel aan en blijft afwachtend staan. Fleur en Florian weten even niet wat ze moeten doen. Dan zegt Fleur: ‘Ik sms je nog wel, als ik hulp nodig heb bij het versjouwen van dat hout. Het zou prettig zijn, als we het straks allemaal op een droge plek hebben liggen.’ Gelukkig begrijpt Florian de hint. Hij zegt: ‘Is prima’ en loopt dan weg. De brief aan Van Zanten brandt in Fleurs hand. Wat zal het zijn? Opnieuw een lading hennepzaadjes? Zal ze hem openmaken? Dan hoort ze binnen de stem van Chantal: ‘Kijk eens, Fleur’, roept ze. ‘Een kaart van mijn meisjes! Ach, ze hebben het zelf geschreven.’ Fleur snelt toe en leest dan het kinderlijke handschrift. Er staat: ‘Mam, wanneer kom je thuis? We missen je?’
(wordt vervolgd)
Tekst: Margriet van Buren Illustratie: Elly Overberg
